Het stadhuis, dat in de loop der eeuwen herhaaldelijk werd uitgebreid en verbouwd, viel in 1875 ten prooi aan de slopershamer. Wel bleven de twee zijgebouwen behouden: rechts het gevangenisgedeelte uit 1634 met trapgevel, links een barokgevel uit 1730. Tussen die twee vleugels kwam er een gloednieuw raadhuis in een rijzige neo-hooggotiek, met imposant belfort. In 1914 vestigde kolonel Jacques, die later een standbeeld op de Grote Markt kreeg, zijn hoofdkwartier in het stadhuis. Het gebouw werd herhaaldelijk getroffen door Duitse obussen en kreeg na de bezetting van de stad de genadeslag, toegebracht door geallieerd geschut. In het raam van de wederopbouw, ontwierp architect V. Vaerwyck in samenwerking met J. Viérin uit Brugge, een stadhuis in een mengsel van neogotiek en neorenaissance. In de voorgevel vormen muurankers tweemaal het jaartal 1923. Boven de deur ziet men de wapenschilden van stad en provincie, geflankeerd door twee beelden die de landbouw en de nijverheid voorstellen. De beiaard van het stadhuis hing tot 1914 in de St. Niklaaskerk. Pas na de wederopbouw werd de beiaard opgehangen in de beiaardtoren. Hij omvat 30 klokken.
De andere huizen op het plein stammen eveneens uit dezelfde naoorlogse periode en sluiten zeer goed aan bij de architectuur van het stadhuis. Even werd overwogen "la ville martyre" niet meer op te bouwen, maar ernaast een geheel nieuwe stad uit de grond te stampen. Dit plan werd echter verworpen door het gemeentebestuur en vanaf 1919 herrees Diksmuide gestadig uit het puin. De Grote Markt werd heropgebouwd in een op de Renaissance geïnspireerde "vieux-neuf"-stijl.
Gids : te reserveren in Dienst voor Toerisme
Historische terugblik: Belforttoren met beiaard