Toeristisch circuit
Stadslink is een eigentijds ontdekkingscircuit doorheen het historische centrum van Diksmuide. Klinknagels op de grond duiden dit parcours van 2,9 km aan. Op 16 locaties tonen eigentijdse panelen je de nodige informatie en beelden uit het rijke Diksmuide verleden.
Het Manneke uit de Mane, symbool van de West-Vlaamse humor, lacht je toe op de Grote Markt waar ook Generaal Baron Jacques staat, die Diksmuide verdedigde in 1914. Het is door de oude stijl van het stadhuis, de Sint-Niklaaskerk en van de vele mooie gevels bijna niet meer te zien dat alles heropgebouwd werd na 1918. Via het stadspark en het oude postgebouw kom je bij het pittoreske Begijnhof, een oase van rust. We nemen een kijkje op de Vismarkt en komen via het wandelpad langs de stadsvaart en de oude bloemmolens bij de IJzer en de nieuwe plezierhaven Portus Dixmuda. Langs de winkelstraten IJzerlaan en Generaal Baron Jacques-straat kom je weer naar de markt.
Het gehele traject is ook toegankelijk voor rolstoelgebruikers, enkel tussen het Postgebouw en de Vismarkt wijkt dit traject even af.
Blinden en slechtzienden kunnen op de infoborden ook tastbare herinneringen ophalen.
Praktische tips:
- Stadslink is een ideale tip voor een verrijkende wandeling. Dit kun je individueel doen. Alle info staat op de 16 panelen. Je start waar je wilt. Het traject is bijna 2 kilometer lang.
- Rolstoelgebruikers kunnen het volledige traject afleggen maar dienen enkel tussen de Vismarkt en de Post even een andere weg te nemen, aangeduid met een aparte grondnagel.
- Groepen en scholen kunnen deze wandeling ook onder begeleiding van een ervaren en boeiende gids meemaken. Zo leer je nog veel weetjes en anekdotes uit het roemrijke verleden van Diksmuide. Tarief voor de gids: 50 euro. Duurtijd: 2 uur. Maximaal 35 personen per gids.
De Grote Markt
Dit marktplein werd in het tweede kwart van de 13de eeuw in gebruik genomen, toen het eerste elfde eeuwse marktplein, de huidige vismarkt, te klein werd voor de groeiende verkoop.
In 1406 verkreeg Diksmuide het recht om in juli een ‘Vrije Jaarmarkt’ te organiseren. Diverse kooplui kwamen van heinde en ver om hun koopwaar drie dagen lang aan te bieden.
Aan de westkant van de markt verhandelden kooplui en landbouwers eeuwenlang grote hoeveelheden boter en kaas op de wekelijkse maandagmarkt. De stadsrekening uit 1581-1582 vermeldt dat er 8.936 grote kuipen boter op de markt werden verkocht.
In 1928 werden nog de nieuwe Boterhallen gebouwd, maar nu herinneren alleen nog de Boter- en Kaasfeesten op pinkstermaandag aan deze drukke handelsactiviteit van weleer. Het opheffen van oude reglementeringen en de mechanisatie brachten mee dat de groothandelaars zich rechtstreeks bij de boeren gingen bevoorraden. De Boterhalle werd in 1985 heringericht als feestzaal, met behoud van de gewelven. Toch blijft Diksmuide alom gekend als de Boterstad.
Het ‘Manneke uit de Mane’ staat symbool voor de Vlaamse humor. Jaarlijks neemt de ‘Orde van het Manneke uit de Mane’ verdienstelijke West-Vlamingen als nieuwe ridders in haar orde op en verschijnt de ‘Almanak’, een leuk boekje met grappen, pittige verhalen en weersvoorspellingen, gekruid in het West-Vlaams dialect.
Het Stadhuis
De eerste steen van het stadhuis werd gelegd in 1428. Jacob van Deventer stelt het stadhuis rond 1560 voor als een langwerpig gebouw met een toren. Tussen 1567 en 1572 werden grote verbouwingen uitgevoerd. Schilder Haeck toont in 1716 ook een binnenkoer en kapeltorentje. De bouw van het derde – neogotische – stadhuis vond plaats vanaf 1875 en werd voltooid in 1880. Tijdens de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog 1914-1918, grepen de architecten terug naar bouwkundige elementen ontleend aan de regionale Vlaamse renaissancestijl (architect V. Vaerwyck in samenwerking met J. Viérin uit Brugge). In de voorgevel vormen muurankers tweemaal het jaartal 1923.
De nieuwe belforttoren herrees op de binnenplaats, als typisch Vlaams en middeleeuws symbool van de stedelijke vrijheid. De Beiaard heeft 30 klokken.
De andere huizen op het plein stammen eveneens uit dezelfde naoorlogse periode en sluiten zeer goed aan bij de architectuur van het stadhuis. Even werd overwogen “la ville martyre” niet meer op te bouwen, maar ernaast een geheel nieuwe stad uit de grond te stampen. Dit plan werd echter verwordpen door het gemeentebestuur en vanaf 1919 herrees Diksmuide gestadig uit het puin. De Grote Markt werd heropgebouwd in een op de Renaissance geïnspireerde “vieux-neuf”-stijl.
Midden op de markt werd in 1930 een standbeeld opgericht ter ere van Generaal Alphonse Jacques, die in 1914 aan het hoofd van zijn regiment Diksmuide verdedigde en na de oorlog in de adelstand werd verheven. Het bronzen beeld is een werk van Alfred Courtens.
De arduinen sokkel draagt het devies “Je tiendrai” en rondom beelden figuren episodes uit de levensloop van de generaal.
Tussen 25 oktober en 10 november 1914 werd Diksmuide verdedigd door Belgische en Franse troepen. Onder leiding van de Hertog van Wurtemberg wensten de Duitsers ondermeer de IJzer te overschrijden om Frankrijk en met name de havens van Duinkerke en Calais in handen te krijgen. Na een belegering van 14 dagen en hevige gevechten rondom de stad werd Diksmuide toch onder de voet gelopen door het Duitse leger. Door het openen van het “verlaat van de Noordvaart” in Nieuwpoort, zette de geallieerde legerleiding ondertussen de IJzervlakte onder water. De doortocht naar Frankrijk was definitief afgesneden maar Diksmuide bleef vier jaar in handen van de bezetter en kwam volkomen verwoest uit de wereldbrand.
De Sint-Niklaaskerk
De nederzetting Diksmuide ontstond uit het naburige dorp Esen.
De bevolkingsaangroei leidde tot de stichting van een nieuwe parochie en de bouw van een eigen Romaanse kapel. Deze nieuwe parochie werd zelfstandig tussen 1089 en 1110.
Na de stadsbrand in 1333 werd de kapel omgebouwd tot een gotische hallenkerk. In augustus 1566 ontsnapte de kerk grotendeels aan de bedreigingen van rondtrekkende beeldenstormers. De Eerste Wereldoorlog herleidde de kerk echter tot een puinhoop. Het beroemde doksaal (laat-gotisch doksaal van Jan Bertet), de sacramentstoren, het koorgestoelte (17de eeuw) en de 16de eeuwse disbank ontsnapten niet aan de verwoesting. De kerk werd op 27 mei 1940 opnieuw getroffen door een zwaar luchtbombardement, waarna enkel nog de muren overeind bleven. De huidige kerk (architecten J. en L. Viérin) is een reconstructie van het gotische bedehuis met de sierlijke 18de-eeuwse torenspits.
De Lakenhalle
De Lakenhalle of Stadshalle wordt in 1271 vermeld aan de oostzijde van de Grote Markt als een overdekte handelsplaats, uitgerust met een belforttoren. In het gebouw was heel wat ruimte voor opslag en verhandeling van laken en allerlei koopwaar, terwijl ook het stadsbestuur er vergaderde. Deze administratieve functie, als ‘Huyse ten Berecke’, verhuisde naar het nieuwe stadhuis in 1428. Tijdens de 12de en 13de eeuw kende de lakenhandel een ongeëvenaarde bloei. De voornaamste handelspartner was Engeland en Diksmuide bekleedde in de Vlaamse Hanze de derde plaats na Brugge en Ieper. Vanaf de 14de eeuw werd, door een groeiende concurrentiestrijd, de gestage achteruitgang van de lakennijverheid voelbaar. Engeland verwerkte vanaf de 15de eeuw zijn eigen wol en de ‘Diksmuidsche Matten’ moesten met minderwaardige wol worden geweven. Ook sociale onlusten en pestepidemieën legden de economie lam en de lakenproductie verdween al snel uit heel de Westhoek. Wat restte van de hallen werd in 1696 afgebroken.
De Stationswijk
Het 19de eeuwse stationskwartier kreeg zijn uitbouw op de zuidoostelijke vestingen van de stad. Hierdoor haalde men de stad uit haar oude vestingpatroon en kwam een nieuwe stadsuitbreiding tot stand. Men sloopte de oude stadswijk “Den Hooghen Houck” en men dempte de stadsgracht met de aarde van de verdedigingsbermen. De spoorlijn Lichtervelde-Veurne kreeg er in 1858 een bedding. De Stationsstraat en de Bortierlaan kregen als nieuwe straten statige herenhuizen en verbonden de stad met het stationskwartier.
Tussen deze straten bevond zich het kloosterdomein van de Grauwe Zusters of Penitenten, dat de gefortuneerde Pieter Bortier in de periode na de Franse Revolutie opkocht en in 1845 als eerste openbaar park van West-Vlaanderen inrichtte!
De regionale tramlijnen uit 1906 zijn nu vervangen door de lijnbussen. Het tramstation overleefde de Eerste Wereldoorlog redelijk ongehavend in vergelijking met het puin rondom en kreeg nadien weer dezelfde stijlvolle uitstraling.
De ontwikkeling van de vervoersmogelijkheden en de verdere ontplooiing als centrumstad in de Westhoek, hebben intussen geleid tot een nog grotere stedelijk gebied. Sinds 1977 bestaat Diksmuide uit 15 deelgemeenten, met een totaaloppervlakte van ongeveer 15 000 hectaren. De bevolkingsdichtheid bedraagt echter niet veel meer dan één inwoner per hectare.
De Oostvesten en het Stadspark
De vijver en de hellingen in het stadspark accentueren nog de restanten van de oostelijke stadsversterkingen. De hoogste aarden heuvel was ooit een bastion met een geschutsstelling (cavalier). Van hieruit bestookten kanonnen de naderende vijand. De plannen om nog grotere stenen bastions en versterkingen te bouwen, werden nooit volledig uitgevoerd. In 1700 waren de stadspoorten reeds verdwenen en verloren ook de verouderde omwallingen hun strategisch nut. Op de Oostvesten werd na de Eerste Wereldoorlog ‘den Botanieken Hof’ of het stadspark aangelegd ter vervanging van het oude Bortierpark nabij de stationswijk.
Op de helling rechts staat een monument uit 1963, hier opgericht ter huldiging van de Franse Admiraal Ronarc’h die in 1914 met zijn Marinefuseliers Diksmuide verdedigde.
In het park staat ook een borstbeeld van Thomas Montanus. Deze belangrijke 17de eeuwse arts beoefende de geneeskunde te Brugge en Sint-Winoksbergen en schreef een vooraanstaand boek over de pestepidimie van 1666.
De Grauwe Broeders en de Spaanse gouverneurs
De Grauwe Broedersstraat heeft haar naam ontleend aan de stichting van het klooster van de Minderbroeders-Observanten in 1453. Dit klooster werd uitgebouwd oostwaarts de stad, buiten de vestingen, op de plaats ‘Noorduyt’. In 1578 vernielden de geuzen het volledige klooster en de O.L.Vrouwkapel. Vanaf 1584 vestigden de Broeders zich verplicht binnen de stadswallen, waar zij tot 1970 actief bleven.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) verbleef de Spaanse gouverneur of plaatscommandant in deze fraaie voormalige patriciërswoning. Na 1918 werd het pand vrij getrouw heropgebouwd, al kreeg de voorkant een bijkomende trapgevel en een typisch Vlaams-renaissance tabernakelvenster. Dit gebouw werd het Postkantoor en kreeg in 1989 als nieuw postverdeelcentrum een belangrijke uitbreiding.
De Vismarkt
Water is altijd een belangrijk element geweest in het stedelijk landschap van Diksmuide. Diksmuide ontwikkelde zich aanvankelijk vooral nabij de Stadsvaart of Handzamevaart. Deze vaart had een dubbele rol: de stad van water voorzien ten behoeve van de inwoners, handel en industrie en de bevoorrading van de stadsgrachten. Tot het begin van de 18de eeuw was Diksmuide een omwalde stad, eerder palend aan de Handzamevaart dan aan de IJzer. Het drukke havenkwartier, met tal van schipperscafés en afspanningen (zoals ‘Den Papegaei’) met de bijhorende magazijnruimtes, was vooral gesitueerd ter hoogte van de Kleine en Grote Dijk. Sporen hiervan zijn nu nog te vinden in de kaaimuur met aanmeerringen en de laad- en lostrappen. De voormalige Appelmarkt werd de Vismarkt na de wederopbouw van 1914-1918. De vismijn is een laag, robuust gebouwtje dat hier rond 1920 werd neergezet. Het zware gebinte wordt geschraagd door vierkante houten palen. De arduinen platen waarop de vis werd uitgestald, vertonen een lichte helling om het water te laten wegvloeien; de koele steen hield bovendien de vis vers.
De visvrouw “Jette” (Juliette Dekeyrel 1892-1973) is een bronzen herinnering en een eerbetoon aan de Diksmuidse vishandel.
Het Begijnhof
Begijnen waren vrome en zelfstandige vrouwen die vanaf de 13de eeuw hier in gemeenschap kwamen leven. Ze kregen de naam Beginae (bigote: kwezel). Het was oorspronkelijk een allegaartje van met riet of stro bedekte huisjes en een kapel, met muren en een poort van de buitenwereld afgeschermd.
Bij de aanleg van de versterkingen in de 15de eeuw, kwam het Begijnhof binnen de omwalling te liggen. Zo konden de begijnen zich in het stedelijk leven verankeren en uit groeien tot een economisch zelfstandige gemeenschap. De nabijheid van de Handzamevaart en de broeken stelde hen in staat de kost te verdienen met het wassen, bleken en bewerken van wol, laken en linnen, met het kweken van dieren en zelfs het brouwen van bier. Ook zieken verzorgen, kantklossen en hostiebrood bakken, behoorden tot hun activiteiten.
Onder het Franse bewind richtte men ongeveer een derde tot gendarmekazerne. Het verkleinde Begijnhof kon, ondanks de opgelegde beperkingen, blijven functioneren.
Na de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 werd het Begijnhof heropgebouwd, maar de laatste Begijnen keerden niet meer terug. Het begijnhof kreeg een sociale rol, eerst als rusthuis, vandaag als woonerf voor volwassenen met een verstandelijke handicap.
We zien in het Begijnhofstraatje ook enkele geglazuurde tegels in Delftse kleuren van de “Stichting van Wezel”. Gedurende WO I zamelde Nederland geld in voor de wederopbouw van verwoeste gewesten in België. In 1926 werd er een vzw “Steun aan België” opgericht om dit geld te beheren. Met dit geld bouwde men huizen voor oorlogsweduwen, werden bouwleningen gegeven, kapelletjes gebouwd, ...
Deze zijn te herkennen aan een handgeschilderd tegeltje. Je merkt de twee handen, teken van vriendschap en hulp.
De Grote en Kleine Dijk
De Handzamevaart vormde de noordelijke grens van de vroege stedelijke kern van Diksmuide. In de loop van de 13de eeuw namen ambachtslui, vooral de huidenvetters of leerlooiers, de lagergelegen gronden ten noorden van de waterloop in. Daartussen verrees ook het Begijnhof. In het begin van de 15de eeuw werd dit stadsdeel binnen nieuwe stadsversterkingen opgenomen. De verbinding met de stad gebeurde via een viertal bruggen over de Handzamevaart. Hiervan blijven nu enkel nog de bruggen aan de Vismarkt en aan de Oostendestraat over.
De verdwenen Alleyebrug bij de Ballinckpoort had eerder een trieste reputatie. Langs deze brug werden de bannelingen de stad uitgejaagd. In 1875 stortte de brug gedeeltelijk in en werd voor het ontbrekende stuk een noodbrug gebouwd. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de huidige brug tussen de Vaartstraat en de Kleine Dijk in de plaats.
De Bloemmolens
Vóór de Eerste Wereldoorlog stonden de Diksmuidse bloemmolens aan de IJzer. Tot aan de Tweede Wereldoorlog werd het puin van de vernielde bloemmolens als drukbezochte oorlogssite bewaard.
De imposante nieuwe bloemmolens werden met oorlogsschadevergoeding op een nieuw terrein bij de Handzamevaart opgetrokken. Vanaf 1932 werden ze belangrijke werkgevers voor de zwaar geteisterde streek. Ze herbergen nog steeds de oude machines, hoewel de productie in 1996 is overgebracht naar een nieuwe locatie op de bedrijvenzone van Diksmuide. Het vroegere bedrijfsterrein is intussen het woonerf ‘Hof ter Bloemmolens’ en de gerestaureerde bloemmolens blijven een attractie voor het oog. Het behoud van deze voormalige graanmaalderij drukt het respect uit voor de toeleverende landbouw en voor de verwerkende nijverheid.
Het complex huisvestte van 2000 tot 2003 de toeristische tentoonstelling Westoria, waar je het verhaal van de Westhoek en het proces van graan tot bloem kon beleven. Momenteel wachten de bloemmolens op een nieuwe bestemming, zodat niet alleen de imposante buitenkant, maar ook het interessante machinepark weer te zien zullen zijn.
Het Kasteel
Op het einde van de 14de eeuw bedreigde een Engelse invasie het Vlaamse kustgebied. Onder impuls van de Bourgondische hertog Filips de Stoute werd de plaatselijke adel in de organisatie van de verdediging betrokken. Diederik VII van Beveren, Heer van Diksmuide, liet tussen 1402 en 1405 op de lagergelegen weiden bij de samenvloeiing van de IJzer en de Handzamevaart, een versterkt kasteel optrekken als voorpost voor de verdediging van de stad. Het kasteel had een regelmatige vierhoek als plattegrond en diende tot schuilplaats tijdens troebele tijden. Vanaf 1678 werd het kasteel afgebroken.
We staan hier bij de monding van de Handzamevaart in de IJzer. De naam Diksmuide zou afgeleid zijn van ‘Dicasmutha’, ofwel de ‘Monding van de Dijk’.
De haven aan de IJzer
De nederzetting Diksmuide groeide in de 11de eeuw onder impuls van de Vlaamse graaf uit tot de eerste IJzerhaven. In de loop van de 12de eeuw evolueerde de stad tot een belangrijk, vitaal en regionaal handelscentrum, wat mee bevestigd wordt door de talrijke vrijheden die de plaatselijke handelaars genoten. Met de stichting van het meer zeewaarts gelegen Nieuwpoort als ‘nieuwe zeehaven’ in 1163, verloor Diksmuide aan belang als zeehaven. Toch werden tot in de 20ste eeuw op de drukke kades nog goederen van grote vrachtboten gelost en overgeladen op de kleinere “Bijlanders”, voor vervoer verder landinwaarts.
Vandaag biedt Portus Dixmuda faciliteiten en ligplaatsen voor de pleziervaart.
De IJzer is de enige stroom die in Vlaanderen in zee uitmondt. Op 18 kilometer van de monding in Nieuwpoort en verbonden met de hele Westhoek en het binnenland via diverse kanalen, is Diksmuide dan ook de uitgelezen pleisterplaats voor de pleziervaart. In totaal is de IJzer 78 km lang, en heeft zijn bron in Frans-Vlaanderen.
Het fort Hogebrugge
Van 1568 tot 1648 woedde de Tachtigjarige Oorlog, de opstand van de Nederlanden tegen het gezag van de Spaanse Koning. De Spanjaarden brachten voor 1576 de stadsversterking van Diksmuide in staat van paraatheid. De strijd kwam in 1583 in een beslissend stadium toen Diksmuide na felle weerstand van de geuzen voor een langere tijd ingenomen werd door de Spaanse troepen van Alexander Farnese. De rijke landbouwstreek kreeg nog lang met diverse raids af te rekenen. Tussen 1584 en 1591 werd daarom langs de Vlaamse kust, de IJzer en de Ieperlee een verdedigingslinie aangelegd, met aan de Hoge Brug een klein hoekig sperfort. Deze fortengordel verloor zijn belang na het Beleg van Oostende (1601-1604). Tijdens de Spaans-Franse oorlogen in de tweede helft van de 17de eeuw werd op deze plaats een nieuw fort opgericht.
De IJzertoren
Als hulde aan de Vlaamse frontsoldaten werd van 1928 tot 1930 de eerste IJzertoren (50 meter hoog) gebouwd. In 1946 werd deze toren vernield. Met het puin bouwde men de Paxpoort. De nieuwe IJzertoren (84 meter hoog) werd opgetrokken in de periode 1951-1965, en is vandaag een symbool voor Vrede, Vrijheid en Verdraagzaamheid. Binnen in de toren bezoek je een eigentijds belevingsmuseum over de Oorlog en Vrede en de Vlaamse ontvoogding.
De Westpoort
Wie tot in de 17de eeuw de stad in of uit moest, kon dit enkel overdag door de stadspoorten, met tolheffing voor de handelaars.
De zeven stadspoorten waren oorspronkelijk houten constructies die later in steen werden herbouwd.
De Noordpoort en de Ballinckpoort, waren zowel een land- en een waterpoort, omdat daar ook de Handzamevaart door de omwalling de stad binnenkwam en verliet.
De Westpoort, de Zuidpoort, het Yserenhekkenpoortje, de Oostpoort en het Grauwe Broederspoortje waren landpoorten en bestonden uit een stevig poortgebouw, een ophaalbrug en een stuk vaste boogbrug over de stadsgracht, die de stad met de buitenwereld verbonden.
De vestingen waren iets verderop gesierd met het Reuzenmolentje.
Het stuk IJzerlaan richting IJzer is in de volksmond nog steeds gekend als de ‘Lindjes’, verwijzend naar de vroegere dreef met lindebomen. In het najaar van 1914 werd het de vluchtroute voor de Diksmuidelingen op zoek naar veiliger oorden. Ze zouden enkele jaren later een totaal verwoeste stad terugvinden…
De naam Italiëplein herinnert aan het feit dat Mussolini de IJzerstad in 1922 het Italiaans kruis schonk, ter bevestiging van haar titel van “cità heroica”. Een ander monument in de vorm van een Latijns kruis is een eerbetoon voor Bretoense soldaten die in mei 1940 op Belgische bodem sneuvelden; hun wapenspreuk luidt “Têtus-Malins” (vasthoudend - vindingrijk).
De Wilgendijk en de “Weststraat”
De eerste nederzettingskern van de stad lag tussen de Wilgendijk en de huidige Grote Markt. Rond 1100 richtten de burggraven van Diksmuide er hun verblijfplaats in op een motte of militair versterkte ronde heuvel. Hierbij was er een neerhof, met een grote schuur of spijker, een marktplein (de huidige vismarkt) en een kapel waar nu de Sint-Niklaaskerk staat. Oude kaarten, opgravingen, maar ook de huidige perceelstructuur laten toe deze kern te situeren. Dit geheel werd door een eerste walgracht omringd.
De steeds groeiende kern kreeg tussen de 11de en 13de eeuw een D-vorm met de Handzamevaart als noordelijke stadsgracht en de huidige Wilgendijk als boogvormige centrumstraat, parallel aan de vaart.
In de 13de eeuw breidde de bloeiende lakenstad zich naar het zuiden uit, waarbij men planmatig koos voor meer rechte straten, een nieuw groot marktplein met hallen en aangepaste stadsvesten rondom.
MEER INFO
Toerisme Diksmuide
Grote Markt 28
8600 Diksmuide
Tel. 051 51 91 46 - Fax 051 51 91 48
toerisme@stad.diksmuide.be